Forensische Psychiatrische Centra

Multidisciplinaire routine outcome monitoring in de forensische psychiatrie: komen patiënten en behandelaren tot dezelfde beoordeling?

Feiten en cijfers,  Wetenschappelijk onderzoek
Sophie Verschueren,
Wetenschappelijk onderzoekster
|
24 september 2026

Binnen de forensische psychiatrie is het belangrijk om de vooruitgang tijdens de behandeling systematisch op te volgen. Dit gebeurt vaak met behulp van Routine Outcome Monitoring (ROM): instrumenten waarmee op regelmatige tijdstippen wordt nagegaan hoe een patiënt evolueert op verschillende aspecten van functioneren en behandeling. In een forensische context ligt daarbij traditioneel veel nadruk op risicofactoren voor recidive. Een nadeel hiervan is dat klassieke risicotaxatie-instrumenten minder geschikt zijn om kleine veranderingen in het dagelijks functioneren en bredere behandeluitkomsten in kaart te brengen.

In de forensisch psychiatrische centra in Vlaanderen wordt hiervoor onder andere het Instrument voor Forensische Behandel Evaluatie (IFBE) gebruikt. De IFBE bestaat uit 22 items, verdeeld over drie domeinen: beschermende vaardigheden, problematisch gedrag en resocialisatievaardigheden. De items worden gescoord op een 17-puntsschaal en zijn bedoeld om veranderingen tijdens de behandeling gevoelig te detecteren. De IFBE wordt door meerdere leden van het multidisciplinaire behandelteam ingevuld, doorgaans ongeveer elke zes maanden.

Wat onderzoekt deze studie?

Hoewel behandelaren een belangrijk perspectief bieden op de vooruitgang van een patiënt, is het ook waardevol om patiënten zelf actief te betrekken bij de evaluatie van hun behandeling. Daarom werd naast de IFBE een zelfrapportageversie ontwikkeld: de IFBE-Z. Deze bevat dezelfde 22 items en dezelfde 17-puntsschaal, maar de formulering is aangepast zodat patiënten de vragen over hun eigen functioneren kunnen beantwoorden. Door de scores van patiënt en behandelteam naast elkaar te leggen, kan worden onderzocht in welke mate beide perspectieven overeenkomen.

De huidige studie was de eerste die onderzocht in welke mate patiënten en behandelaren overeenkomen in hun beoordeling met behulp van de IFBE en IFBE-Z binnen een high-security forensisch-psychiatrische setting. De volgende drie onderzoeksvragen werden onderzocht:

  1. In welke mate komen de beoordelingen van patiënten en behandelaren overeen?
  2. Verandert deze overeenstemming tijdens de eerste 15 maanden van de behandeling?
  3. Verschilt de mate van overeenstemming naargelang de primaire psychiatrische diagnose?

Onderzoeksopzet

Voor de studie werden gegevens van 122 patiënten gebruikt. De gemiddelde leeftijd bij opname was 40 jaar; 116 patiënten waren mannen en zes waren vrouwen. Ongeveer een derde had een persoonlijkheidsstoornis als primaire diagnose, een derde een psychotische stoornis en een derde een andere primaire psychiatrische diagnose.

Onderzoeksvraag 1 | Komen patiënten en behandelaren tot dezelfde beoordeling?

Op het niveau van de hoofddomeinen werd over het algemeen een goede overeenstemming gevonden voor beschermende vaardigheden en resocialisatievaardigheden. Patiënten en behandelaren beoordeelden deze aspecten dus in grote lijnen op dezelfde manier.

  • Er was bijvoorbeeld overeenstemming over vaardigheden om middelengebruik, fysieke agressie en seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen, arbeidsvaardigheden, dagelijkse activiteiten en financiële vaardigheden.
  • Voor enkele meer subjectieve of intern gerichte aspecten, zoals probleeminzicht en meewerken aan de behandeling, verschilden de beoordelingen: patiënten evalueerden zich positiever dan de behandelaren.

Op het niveau van de hoofddomeinen was het voor problematisch gedrag anders. Patiënten rapporteerden consequent minder problematisch gedrag dan de behandelaren.

  • De grootste verschillen tussen het behandelteam en de patiënt werden gevonden bij onder andere manipulatief gedrag, antisociaal netwerk en recent middelengebruik.
  • De verschillen waren echter niet voor alle afzonderlijke items hetzelfde. Voor onder andere impulsiviteit, vijandigheid, antisociaal gedrag en het overtreden van regels werd op meerdere meetmomenten geen significant verschil gevonden.

Een mogelijke verklaring voor de verschillen tussen de drie hoofddomeinen is dat vaardigheden vaak bestaan uit concreet en observeerbaar gedrag en gemakkelijker door zowel patiënt als behandelaar kan worden beoordeeld. Problematisch gedrag is daarentegen vaker gevoelig, verborgen of sociaal gestigmatiseerd. Hierdoor kunnen patiënten het gedrag anders ervaren of rapporteren. Tegelijkertijd moeten we benadrukken dat behandelaren niet automatisch de meest objectieve beoordeling geven: hun verantwoordelijkheid voor veiligheid en juridische gevolgen kan ertoe leiden dat zij risico’s voorzichtiger interpreteren.

Onderzoeksvraag 2 | Verandert de overeenstemming tijdens de behandeling?

Er werd geen significante verandering in de mate van overeenstemming gevonden gedurende de eerste 15 maanden. Het verschil tussen patiënten en behandelaren werd dus niet kleiner naarmate de behandeling vorderde, voor geen enkel domein of afzonderlijk item.

Dit resultaat verschilt van eerder onderzoek waarin meer overeenstemming werd gevonden naarmate patiënten dichter bij ontslag kwamen. Een mogelijke verklaring is dat eerdere studies vaak patiënten in een latere behandelfase of in een minder beveiligde setting onderzochten. De eerste 15 maanden in een high-security forensisch psychiatrisch centrum vormen daarentegen nog een relatief vroege fase van een langdurig behandeltraject. Er is dan mogelijk nog onvoldoende tijd verstreken om tot een meer gedeeld beeld van de behandeling en vooruitgang te komen.

Onderzoeksvraag 3 | Speelt de primaire diagnose een rol?

Er werd geen verschil gevonden tussen diagnostische groepen in de mate waarin patiënten en behandelaren van elkaar verschilden. Dit gold voor de drie onderzochte hoofddomeinen en voor de verschillende meetmomenten.

Dit betekent dat de gevonden discrepantie tussen patiënt en behandelaar niet specifiek lijkt samen te hangen met een primaire diagnose van persoonlijkheidsstoornis, psychotische stoornis of een andere psychiatrische diagnose. In huidige studie werd wel enkel de hoofddiagnose meegenomen. Comorbiditeit, die binnen forensische populaties vaak voorkomt, werd niet in deze analyse verwerkt. Dit kan eventuele verschillen tussen diagnostische groepen hebben verhuld.

Conclusie en klinische betekenis

De studie toont dat patiënten en behandelaren in een high-security forensisch psychiatrisch centrum op verschillende belangrijke domeinen tot een vergelijkbare beoordeling kunnen komen, maar dat er ook systematische verschillen bestaan. Vooral bij problematisch gedrag beoordelen patiënten zichzelf gunstiger dan behandelaren. Bij beschermende vaardigheden en resocialisatievaardigheden is de overeenstemming groter. De verschillen bleven gedurende de eerste 15 maanden relatief stabiel en werden niet beïnvloed door de primaire diagnose.

Deze verschillen moeten niet noodzakelijk worden gezien als een probleem waarbij één van beide perspectieven fout is. Juist het verschil tussen beide beoordelingen kan klinisch relevante informatie opleveren. Het perspectief van de patiënt kan bijvoorbeeld informatie bevatten over subjectieve ervaringen en interne processen die voor behandelaren minder goed observeerbaar zijn. Omgekeerd beschikken behandelaren over observaties uit verschillende situaties en over informatie die de patiënt mogelijk niet zelf herkent of rapporteert.

Daarom is het belangrijk om verschillen tussen IFBE en IFBE-Z niet alleen vast te leggen, maar ze ook expliciet te bespreken met de patiënt. In de forensisch psychiatrische centra worden de IFBE-scores al besproken tijdens behandelplanbesprekingen, maar de resultaten suggereren dat deze dialoog nog systematischer kan worden ingezet. Vooral bij gevoelige onderwerpen kunnen aanvullende informatiebronnen, zoals gedragsobservaties, incidentmeldingen, urinescreening en feedback van medewerkers, helpen om de verschillende perspectieven beter te begrijpen.

De centrale boodschap van de studie is daarmee dat ROM niet uitsluitend moet worden gebruikt om te bepalen hoe goed een patiënt vooruitgaat, maar ook als middel om samen met de patiënt te onderzoeken hoe die vooruitgang wordt ervaren en geïnterpreteerd. Het naast elkaar leggen van beide perspectieven kan bijdragen aan meer zelfinzicht, een betere therapeutische samenwerking en meer feedback-informed en persoonsgerichte behandeling. Tegelijk is verder longitudinaal onderzoek nodig om na te gaan of de mate van overeenstemming later in het behandeltraject, bijvoorbeeld bij overgang naar een minder beveiligde setting, alsnog verandert.