Forensische Psychiatrische Centra

Criteria voor het beoordelen van de urgentie van opname in een forensisch psychiatrisch centrum

Feiten en cijfers,  Wetenschappelijk onderzoek
Sophie Verschueren,
Wetenschappelijk onderzoekster
|
13 juli 2026

Door het tekort aan plaatsen in de Vlaamse forensisch psychiatrische centra verblijven geïnterneerden vaak tijdelijk in de psychiatrische afdeling van een gevangenis. Zowel FPC Gent als FPC Antwerpen werken met wachtlijsten. Meestal gebeurt opname volgens de volgorde waarin de KBM de beslissing nam, maar in dringende gevallen kan iemand sneller worden opgenomen op vraag van het gevangenispersoneel. In België bestaan er echter geen vaste criteria om die urgentie te beoordelen. Om mensen op de wachtlijst beter te kunnen prioriteren, werd in Ierland de Dangerousness Understanding, Recovery and Urgency Manual-2 (DUNDRUM-2) ontwikkeld. Maar in welke mate komen de huidige klinische beslissingen overeenkomen met de beoordeling volgens de DUNDRUM-2? Hebben patiënten die met spoed werden opgenomen inderdaad een hogere DUNDRUM-2 score dan patiënten die zonder spoed werden opgenomen? En wat is de betrouwbaarheid van de DUNDRUM-2 in België?

Personen die geïnterneerd zijn, horen niet in de gevangenis te verblijven, maar hebben recht op gespecialiseerde forensisch-psychiatrische zorg. Door een tekort aan plaatsen in deze zorgvoorzieningen blijven sommige geïnterneerden toch tijdelijk in de gevangenis, in afwachting van opname. Een gevangenisomgeving kan psychische problemen echter verergeren of zelfs mee veroorzaken. Mogelijke factoren zijn onder meer onveiligheid, pesten of mishandeling, weinig zinvolle activiteiten en beweging, eenzame opsluiting, slechte leefomstandigheden, overbevolking, verlies van autonomie en onzekerheid over de toekomst. Bovendien worden signalen van psychische achteruitgang niet altijd tijdig opgemerkt, terwijl gedetineerden niet altijd zelf hulp vragen. Dit kan leiden tot zichtbaar probleemgedrag, zoals agressie of wangedrag, maar ook tot innerlijke klachten, zoals angst, depressie of stress.

Daarom is het belangrijk om patiënten met de meest dringende zorgnoden tijdig over te plaatsen naar een forensische setting, zoals het forensisch psychiatrisch centrum. In principe gebeurt opname chronologisch, volgens de datum van de beslissing van de Kamer voor de Bescherming van de Maatschappij (KBM) en de plaats op de wachtlijst. In uitzonderlijke situaties kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer de psychische toestand van een patiënt sterk verslechtert en snelle opname noodzakelijk is. Zo’n voorrang wordt meestal aangevraagd door de gevangenispsychiater en vervolgens beoordeeld door de KBM. Omdat er momenteel geen duidelijke objectieve criteria bestaan om de urgentie van zulke aanvragen te bepalen, rijzen vragen over de transparantie en betrouwbaarheid van deze ongestructureerde beslissingen tot spoedprocedure.

In Ierland werd een instrument ontwikkeld om de dergelijke beslissingen te ondersteunen, de DUNDRUM-2. Het instrument bestaat uit een korte vragenlijst met zes concrete criteria om de urgentie tot opname in te schatten. Deze criteria worden gescoord van 0 tot 4, waarbij 0 geen noodzaak tot onmiddellijke opname impliceert en 4 een noodzaak tot onmiddellijke opname. Criteria:

  • Huidig verblijf: Dit criterium maakt onderscheid tussen verschillende soorten verblijfsituaties. In het huidige onderzoek werden uitsluitend gedetineerden meegenomen, d.w.z. veroordeelde gevangenen. Bijzondere prioriteit wordt verleend aan geïnterneerden aan het einde van een gevangenisstraf, indien er geen aanbod is voor een behandeling in de maatschappij of indien er geen risicomanagementplan uitgewerkt kan worden door het inreach team.
  • Geestelijke gezondheidsredenen: Dit criterium beoordeelt de klinische urgentie, waarbij prioriteit wordt gegeven aan situaties waarin levensbedreigende problemen zich voordoen.
  • Suïcidepreventie: Dit criterium is bedoeld om voldoende gewicht te geven aan personen die ziekenhuisopname nodig hebben om het risico op zelfmoord te beheersen. Er wordt voorrang gegeven aan patiënten met een recente zelfmoordpoging met een hoge ernst en aan patiënten met hoge risicofactoren voor zelfmoord.
  • Humanitaire redenen: Er wordt voorrang gegeven aan gevallen waarin beperkende maatregelen, zoals fysieke fixatie, isolatie of andere vormen van dwang, worden toegepast vanwege een psychische stoornis, en waarin overplaatsing naar een therapeutisch beveiligde omgeving behandeling mogelijk zou maken zonder dat dergelijke maatregelen nodig zijn.
  • Systemische redenen: Dit criterium beoordeelt de noodzaak van een specifiek beveiligingsniveau in relatie tot de beschikbare opties binnen de reguliere gezondheidszorg, waarbij zowel ‘harde’ als ‘zachte’ belemmeringen voor opname in overweging worden genomen.
  • Juridische redenen: Dit criterium geeft prioriteit aan juridische procedures, waarbij er in de Belgische context bijvoorbeeld voorrang wordt gegeven aan geïnterneerden met een vonnis tot plaatsing via een spoedprocedure.

Doel van huidig onderzoek?

Tussen de opstart van de forensisch psychiatrische centra – op 17/11/2014 voor FPC Gent en op 07/08/2017 voor FPC Antwerpen – en 31/1/2023 werden 60 patiënten via een spoedprocedure opgenomen. In deze studie werd voor deze patiënten achteraf de DUNDRUM-2 gescoord, soms maanden of jaren na de beslissing tot spoedopname. Daarna werd een vergelijkingsgroep samengesteld van 60 patiënten die via de gewone chronologische wachtlijst waren opgenomen en die overeenkwamen op basis van geslacht, leeftijd en hoofddiagnose. Ook voor deze groep werd de DUNDRUM-2 gescoord.

De volgende drie onderzoeksvragen werden hierbij gesteld:

  1. Zouden de 60 FPC-patiënten die met urgentie zijn opgenomen op basis van een ongestructureerde beslissing, ook voorrang hebben gekregen op basis van de DUNDRUM-2 score?
  2. Scoren de 60 FPC-patiënten die met urgentie zijn opgenomen hoger (= urgenter) op de DUNDRUM-2 dan de 60 FPC-patiënten die via de reguliere wachtlijst zijn opgenomen?
  3. Is het gebruik van de DUMDRUM-2 betrouwbaar en valide in België?

Resultaten | Onderzoeksvraag 1

De totaalscore voor de DUNDRUM-2 (= som van de scores op de zes items) was 19.3 voor de patiënten opgenomen met urgentie. De gemiddelde score (= het gemiddelde van de scores op de zes items) was 3.2.  Op basis van hun gemiddelde score hadden:

  • 24 geïnterneerden (40.0%) een zeer dringende opnamebehoefte
  • 29 geïnterneerden (48.3%) een eerder dringende opnamebehoefte
  • 7 geïnterneerden (11.7%) een matige opnamebehoefte

Tabel 1 toont de distributie van iedere DUNDRUM-2 score patiënten opgenomen met urgentie.

Daarnaast bleek dat patiënten met een hogere DUNDRUM-2-score minder lang in detentie verbleven vóór hun opname. Dit wijst erop dat hogere scores samenhingen met een snellere en urgentere opname.

Resultaten | Onderzoeksvraag 2

De totaalscore voor de DUNDRUM-2 was 13.4 voor de patiënten opgenomen zonder urgentie. De gemiddelde score was 2.2.  Op basis van hun gemiddelde score hadden:

  • 19 geïnterneerden (31.7%) een eerder dringende opnamebehoefte
  • 40 geïnterneerden (66.7%) een matige opnamebehoefte
  • 1 geïnterneerde (1.7%) een lage opnamebehoefte

Tabel 2 toont de distributie van iedere DUNDRUM-2 score patiënten opgenomen zonder urgentie.

In Tabel 3 worden de gemiddelde scores (en standaarddeviatie) van de twee verschillende patiëntengroepen op de zes DUNDRUM-2 criteria vergeleken. Patiënten met voorrang scoorden significant hoger op de totale en gemiddelde score en op de items 2, 3, 4 en 6, terwijl ze significant lager scoorden op item 1. Dit wijst op een meer urgente opnamenood bij personen met een spoedopname.

Resultaten | Onderzoeksvraag 3

Verschillende metingen werden uitgevoerd om de psychometrische kwaliteit van de DUNDRUM-2 te beoordelen: meet de DUNDRUM-2 echt wat hij moet meten en kloppen de bevindingen?

Ten eerste werd de beoordelaarsbetrouwbaarheid gecontroleerd; dit is de mate waarin twee of meer beoordelaars hetzelfde werk of gedrag op dezelfde manier beoordelen. Hiervoor werd bij 25% van de patiënten de DUNDRUM-2 door twee beoordelaars gescoord. Er werd matige overeenkomst vastgesteld, met 73.3% exacte overeenkomst in scores en 26.7% met aangrenzende overeenkomst (= een verschil in één categorie, bv. gemiddelde score van 4 versus 3). Er was voor geen enkele patiënt verschil in twee of meer categorieën.

Tabel 4 toont de beoordelaarsbetrouwbaarheid voor de verschillende items. Er werd een goede betrouwbaarheid vastgesteld voor de meeste items. Opvallend is echter de zwakke betrouwbaarheid van het eerste item.

Ten tweede werd de interne consistentie onderzocht; dit is de mate waarin de zes verschillende vragen van de DUNDRUM-2 inderdaad hetzelfde construct meten, zijnde de urgentie tot opname. De interne consistentie bleek echter zwak (Cronbach alpha = 0.40). Wanneer het eerste item zou weggehaald worden en enkel de samenhang van items 2 t.e.m. 6 in acht wordt genomen, verbeterde de interne consistentie (Cronbach alpha = 0.60), maar bleef eerder laag.

Bijkomende analyses duidden eerder op een twee-factor structuur: de zes items zouden niet één achterliggend construct meten, maar eerder twee constructen: Samenhang werd gevonden tussen item 2, 3, 4 en 6 en tussen items 1 en 5.

Conclusie?

Bijna negen op de tien patiënten met een spoedopname hadden op basis van hun DUNDRUM-2-score een (zeer) dringende behoefte aan opname. Nog verrassender was dat bijna de helft van de reguliere patiënten eveneens werd ingedeeld in de categorie met een dringende behoefte aan opname. Met andere woorden: de ongestructureerde klinische triagebeslissingen van het gevangenispersoneel waren niet altijd in overeenstemming met de DUNDRUM-2, en sommige patiënten met lagere DUNDRUM-scores kregen voorrang boven patiënten met hogere scores.

De DUNDRUM-2 kan een nuttig hulpmiddel zijn om de transparantie en betrouwbaarheid van besluitvorming inzake opname te vergroten, tezamen met het ongestructureerd klinisch oordeel van het gevangenispersoneel. Het instrument moet bijgevolg het klinische oordeel ondersteunen en niet vervangen.

Er zijn nog enkele aanpassingen nodig om de DUNDRUM-2 werkbaar te maken in België. De verschillen tussen het Ierse en Belgische juridische systeem lagen mogelijks mede aan de grondslag voor enkele problemen met de scoreberekening.

  • De lage beoordelaarsbetrouwbaarheid van item 1, alsook de lage lading op beide constructen, wijzen op mogelijke conceptuele overlap of onduidelijkheid in de manier waarop deelnemers dit item interpreteerden. De antwoordcategorieën voor dit item sluiten elkaar niet uit en kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.
  • Verdere beoordelingsproblemen deden zich voor bij item 5 (bijv. geen verzorgingsgebied in Vlaanderen) en item 6 (bijv. geen competentiebeoordeling in Vlaanderen).