Forensische Psychiatrische Centra

Gesterkt en duurzaam naar de uitgang

Kwaliteitsvolle zorg
Sarah De Keukeleere en Annemie Morbee,
Behandelcoördinator en therapeutisch assistent Park
|
12 mei 2026

Park, de re-integratieafdeling van FPC Gent is in veel opzichten een buitenbeentje. In de eerste plaats op architectonisch vlak: de afdeling ligt namelijk een beetje apart van de andere afdelingen, die zich allemaal in het centrum van het gebouw bevinden. Park ligt vlakbij de uitgang; de deur naar ‘buiten’ ligt bij wijze van spreken binnen handbereik. Patiënten kunnen in de tuin het komen en gaan van iedereen observeren en dagdromen terwijl ze uitkijken over de weg naar de vrijheid. Die is niet langer afgescheiden door een dikke muur, maar door een enkele draad.

En dit brengt ons bij de filosofie van de re-integratieafdeling: weliswaar zijn patiënten hier op het eind van hun behandeltraject in FPC Gent beland, maar ze zijn er nog niet helemaal. Nog lang niet, eigenlijk. Er valt nog heel wat werk te verzetten en ja: de verleidingen zijn heel erg zichtbaar. Het wordt dus zaak om daaraan te weerstaan. Altijd.

De daad bij het woord

Patiënten die doorstromen naar Park hebben binnen FPC Gent al heel wat watertjes doorzwommen in de observatie en oriëntatie-, doorgedreven behandel- en voortgezette behandeling en resocialisatieafdelingen. Ze zijn tegen muren gebotst, moesten zichzelf in de ogen kijken, hebben de moed verloren en terug opgeraapt, zijn wellicht een paar keer over de grens gegaan, maar hebben uiteindelijk hun risicofactoren en beschermende factoren min of meer in evenwicht gekregen.

“The proof of the pudding is in the eating” en dat is wat er gebeurt op Park: de behandelaars laten patiënten ervaren in hoeverre dit evenwicht krachtig genoeg is en bestand tegen de tijd, en observeren hen. Het motto op Park is: zelfstandig waar mogelijk, hulp vragen waar nodig.

Patiënten die op Park aanbelanden, moeten met daden kunnen aantonen waarvan ze in hun hoofd overtuigd zijn: dat ze niet langer een gevaar vormen voor de samenleving en klaar zijn om de hoog beveiligde setting te verlaten.

Op Park kunnen ze dit bewijzen door verstandig om te gaan met de toenemende vrijheden die ze krijgen: onbegeleide uitgaansvergunningen die qua tijd stelselmatig worden opgevoerd, werk buitenshuis waar ze verantwoordelijkheid moeten nemen, een smartphone op de kamer vol verleidingen … Op Park is er niemand die hen voortdurend op het matje roept; ze moeten er zelf voor zorgen dat ze op tijd zijn voor hun werk, hun therapie, hun gesprekken; ze moeten zelf hun afspraken op de groep (koken, boodschappen, poetsen …) nakomen.

Deze vrijheden worden achter de schermen wel degelijk opgevolgd, gemonitord en begeleid. Patiënten worden niet bij het handje genomen, ervaren de buitenwereld op een gecontroleerde manier. Zonder onrustwekkende gevolgen. Patiënten krijgen de kans om mondjesmaat te ervaren wat de samenleving van hen verwacht en hoe zij daar in de toekomst opnieuw hun plaats kunnen verwerven. Door intense voorbereidingen en nabesprekingen bij aanvang en door gaandeweg stilletjes los te laten.

Park is dus met andere woorden een afdeling waar patiënten veel vrijheden krijgen om te oefenen voor het échte leven. En in de beginfase hebben die vrijheden een fikse handrem.

Verrassende ontnuchtering

Omwille van die vrijheden en het ‘dichtbij de uitgang’, springen de meeste patiënten een gat in de lucht wanneer ze horen dat ze naar Park mogen doorstromen. Eenmaal ze er zijn, leven ze de eerste weken op een roze wolk. Want: een kleine groep medepatiënten die je met rust laat, je kan lekker chillen op de kamer zonder dat er een haan naar kraait, er zijn zorgmedewerkers die je niet continu ziet, er is niemand die voortdurend op je vingers kijkt… Het hoort allemaal bij de filosofie van Park: voorbereiden op het leven buiten een forensisch psychiatrisch centrum, met minder intense begeleiding en minder lotgenoten om je heen.

Na een maand sijpelt de ontnuchtering binnen: het gras blijkt op de re-integratieafdeling niet zo groen als gedacht, de verveling komt om de hoek kijken en die vrijheden waarover in de wandelgangen waanzinnige verhalen de ronde doen, krijg je niet zomaar en al zeker niet onmiddellijk.

Om even in te gaan op de verveling… het zou vanuit de begeleiding een koud kunstje zijn om een vol activiteitenaanbod te voorzien zodat het leven op Park minder saai wordt. Maar Park is een voorbereiding op de samenleving, waar de meeste patiënten, na jarenlang in groep te leven, zichzelf op hun eentje moeten vermaken. En liefst niet met volledige avonden door te zakken op café. Ze zullen zelf moeten instaan voor een interessante vrijetijdsinvulling. Die als bijkomend voordeel kan hebben dat ze daardoor een positief sociaal netwerk kunnen uitbouwen. Met andere woorden: door op Park de verveling toe te laten en hen te laten ervaren, kunnen we ze begeleiden bij het zoeken naar een zinvolle vrijetijdsbesteding.

Na verloop van tijd merken patiënten dat ze geduld moeten hebben, veel geduld. Hoe graag patiënten ook hun traject naar buiten willen versnellen, het moet nu eenmaal stap voor stap. En de begeleiders van Park pleiten ook nog eens voor grondigheid.

Dus: geduld.

Na een acclimatisering- en observatieperiode kunnen patiënten in aanmerking komen voor een extern werktraject. En ook dan moeten ze geduld hebben, want dit traject loopt via VDAB, die hun arbeidsvaardigheden peilt en vervolgens een werk op maat uitdoktert. En dat is vaak een koude douche, want patiënten onderschatten dat hun jarenlange opname in instellingen geen top arbeidsvaardigheden heeft opgeleverd, maar wel een serieus gat in hun cv. Dus komen ze vaak in ’maatwerk’ terecht terwijl ze hun zinnen hadden gezet op een job in het ‘normaal’ economisch circuit. Wat achteraf een zege blijkt te zijn omdat ze in dat maatwerk sterk begeleid worden in het verwerven van een noodzakelijke arbeidsethiek.

Eenmaal aan het werk, volgt een periode van volharding en op de tanden bijten. Want werk hebben is één ding, maar het duurzaam behouden een ander. En ook daar gaan algauw enkele maanden overheen.

Bovendien dient het verdiende geld opzij gezet te worden voor het afbetalen van de opgehoopte schulden uit het verleden en/of ‘de uitzet’ voor de toekomst. Weinig patiënten hebben een vriendin of een gezin waar ze na FPC Gent kunnen inwonen. De meesten zijn aangewezen op de woningmarkt. Die kost geld. Voor de woning én voor de inrichting. Dat ook deze zoektocht voor frustratie zorgt, is een understatement en echt geen cadeau voor iemand met een interneringsstatuut.

Een batterij aan versterkende randvoorwaarden

Patiënten die doorstromen naar een ambulant traject blijven weliswaar nog minimum drie jaar het statuut van geïnterneerde behouden, maar zetten toch een gigantische stap: van een hoog beveiligde instelling naar een laag beveiligd leven. Om ze daarop voor te bereiden en tegelijkertijd te peilen naar hun individuele noden voor het leven na een forensisch psychiatrisch centrum, voorzien we tijdens hun laatste stappen nog een batterij versterkers onder de vorm van wekelijkse individuele gesprekken (waarin we peilen naar hun welbevinden, angsten, dromen, verlangens, valkuilen, twijfels, sterktes), specifieke therapieën, groepsgesprekken over de risico’s van het leven ‘buiten’, enz.

Dit, in combinatie met de zesmaandelijkse behandelplannen, geeft ons een zo accuraat mogelijk beeld van de vordering van de patiënt zijn re-integratietraject en de mogelijke toekomstnoden. Op basis daarvan wordt er een flankerend ondersteuningsbeleid uitgedokterd dat de patiënt moet helpen om zijn re-integratie succesvol te laten verlopen. Ook dat vraagt geduld en grondigheid.

Een mobiel forensisch team, budgetondersteuning, opvoedingsondersteuning, specifieke bijkomende externe therapie, psychiatrische opvolging … om er maar enkele te noemen, naast de verplichte tweewekelijkse aanmelding bij de justitieassistent. Hoe uitgebreid en intensief deze verdere ondersteuning is, wordt gedurende hun verblijf op Park bepaald en verfijnd.

Spannend vertrek

En dan komt de dag waarop alle hokjes zijn aangevinkt (ook die van geduld en grondigheid) en kan de patiënt eindelijk vertrekken.

Iedereen is blij.
En iedereen (ook de patiënt) heeft een klein hartje.
Want het is spannend.
En ook al zijn we er gerust in, je weet toch maar nooit.

En dan komt dat telefoontje.
Om te zeggen dat het lukt.
Dat het lastiger is dan gedacht, maar dat het lukt.
En een volgend telefoontje.
Dat het nog lastig is, maar lukt.

Tot op een dag.
Na drie jaar.
“Het is mij gelukt, ik heb niet langer het statuut van geïnterneerde.
Merci hé.”.